Bisdom Haarlem-Amsterdam












link naar de RSS Feed van de laatste nieuwsberichten meld deze pagina op Twitter meld deze pagina op Facebook

Documenten

terug naar de documentindex

Brief aan allen die betrokken zijn bij kerk en pastoraat

Broeders en Zusters in Christus,


Graag wil ik u schrijven naar aanleiding van de gesprekken die we met elkaar hebben gevoerd in het kader van de consultatieronde die vorig jaar in ons bisdom is gehouden. Aanleiding was de Beleidsnota van de Nederlandse bisschoppen uit 1999 ("Meewerken in het pastoraat") waarin de Romeinse Instructie "over enige vragen betreffende de medewerking van lekengelovigen aan het dienstwerk van de priesters" voor de Nederlandse situatie was uitgewerkt.

Terugkijkend op deze rondgang door de dekenaten is mij allereerst een zeer grote betrokkenheid opgevallen, alsook de oprechte zorg van zo velen om voor de mens van nu eigentijdse wegen van geloof en kerk-zijn te zoeken. Ik heb dit als zeer hoopvol ervaren. Tegelijkertijd manifesteerde zich ook regelmatig een zekere spanning die dit streven op kan roepen ten aanzien van traditie en kerkorde.

Steeds terugkerende thema's die uit de vergaderingen naar voren kwamen waren 'gemeenschap', 'medeverantwoordelijkheid', 'eigen gegroeide vormen in ons Haarlemse diocees'. Van de kant van de Bisschopsraad en mij werd daarnaast ook aandacht gevraagd voor begrippen als 'identiteit', 'sacramentaliteit' en 'Eucharistie'.

Op het eerste gezicht kan dit misschien als tegenstelling worden ervaren, maar dat behoeft het natuurlijk niet te zijn. Ook mijn wens, en die van de andere bisschoppen, is het om in deze tijd op inspirerende wijze samen Kerk te zijn, om de vele zoekende mensen van nu een geestelijk thuis te bieden en hen de liefde van God in de gemeenschap van de Kerk te laten ervaren. Daarbij is het mijn overtuiging dat juist onze niet alleen multi-culturele maar ook multi-spirituele tijd meer dan ooit een heldere identiteit en innerlijke eenheid van de Kerk vraagt.

Als de discussie zich vaker toespitste op kwesties rond kerkorde en liturgie, is dat niet omdat andere dingen in de Kerk niet belangrijk zijn, maar omdat we juist hier vaker moesten constateren dat de regelingen in de Kerk, zoals Instructie en Nota opmerken, en de dagelijkse praktijk in verschillende parochies opmerken, op een aantal punten uit elkaar gegroeid zijn. In de visie van de kerkleiding is het nodig hier eerst aan te werken, alvorens we samen echt de grote missionaire uitdaging van deze tijd kunnen aangaan. Met name hierop is het proces dat met Instructie en Nota is ingezet, gericht.

Op de bredere en wellicht interessantere vraag hoe de Kerk moet staan in onze geseculariseerde, pluriforme en democratische wereld kan ik hier dan ook niet ten volle ingaan. Dat is een zinvol onderwerp voor verder gesprek en voor een toekomstig schrijven. De doelstelling van deze brief is bescheidener. Hij wil proberen de belangrijkste conclusies uit de nota concreet te vertalen naar de situatie in ons bisdom en te verbinden met het gevoelen van de consultatiebijeenkomsten. Ik zal dit doen aan de hand van de vier grote dimensies van kerk-zijn, die - hoe de toekomst er ook uit zal zien - bepalend zullen blijven, namelijk gemeenschap, liturgie, verkondiging en diaconie.

Gemeenschap

Gemeenschap is een fundamentele inspiratie van het christendom. Zowel de theologische gedachte Volk van God alsook die van Lichaam van Christus verwijzen naar de diepe eenheid van alle gelovigen als broeders en zusters in Christus. We zijn geroepen om s´men de weg naar God en zijn koninkrijk te gaan. Kerk is tenslotte geen verzameling van individuen die zo ongeveer hetzelfde denken of willen, maar van mensen die op bijzondere wijze bij elkaar horen omdat ze op bijzondere wijze bij God horen. Door doopsel, vormsel en Eucharistie worden we verbonden met Christus, opgenomen in zijn volk, dat zich uitstrekt over gelovigen van alle volken, rassen en culturen. Christelijke gemeenschap veronderstelt dan ook altijd een echte eenheid met de kerkgemeenschap van alle plaatsen en tijden, met wereldkerk en traditie.

In de discussies tijdens de consultatieronde werd evenwel vaker opgemerkt dat gemeenschap naast een theologische ook een sociale dimensie heeft die niet zomaar doorbroken mag worden. Inderdaad zien we op verschillende plaatsen in ons bisdom dat parochiegemeenschappen kwantitatief weliswaar zijn teruggelopen, maar daarentegen zich kwalitatief hebben omgevormd in hechte kleine gemeenschappen met een sterke vrijwillig(st)ersparticipatie.

Aan de andere kant zien we tegelijkertijd een welhaast tegengestelde beweging in de zgn. religieuze mobiliteit. De statistieken leren dat veel gelovigen zich niet meer automatisch bekennen tot de eigen plaatselijke parochiegemeenschap, maar veeleer keuzes maken. Op grond van persoonlijke overwegingen bezoeken ze weekendvieringen in een vaak wijde omgeving of sluiten zich aan bij andere parochiële of categoriale gemeenschappen.

Beleidsmatig komt indringend de vraag naar voren hoe in het perspectief van gemeenschap met deze verschillende tendensen om te gaan.

Als we kijken naar plaatsen waar de Kerk zeer vitaal is, met name in de Derde Wereld, dan zien we vaak kleinere geloofs- of basisgroepen ontstaan, die als een soort bouwstenen of cellen de grotere parochiegemeenschap vormen. Achtergrond is de ervaring dat het niet goed mogelijk is om affectief gemeenschap te beleven met duizenden mensen, maar eerder met enkele tientallen. Het zijn groepen die concreet geloof en leven met elkaar delen, die samen bidden, werken en ontspannen. Catechisten, groepslei(st)ers en vrijwillig(st)ers vervullen hierbij een onmisbare rol. Soms zijn deze groepen geconcentreerd rond een eigen vieringsplek, die zich als een soort "buitenpost" verhoudt tot de centrale parochiekerk, zeker als de afstanden erg groot zijn. Soms komen ze samen in een woning of zaaltje en blijven voor de zondagsviering gericht op de centrale kerk. Ook de ervaring met projecten van parochie-evangelisatie en vitalisering in Zwitserland en Italië wijst in dezelfde richting.

Feitelijk zien we dat ook in ons bisdom al vele vitale groepen zijn ontstaan, hetzij lokale parochiegemeenschappen, hetzij meer categoriale groepen: jongerengroepen, gebeds- en charismatische groepen, missionaire groepen, gezinnen die samenkomen et cetera. Beleidsmatig is het belangrijk om deze groepsvorming te bevestigen en te stimuleren, maar ook te zorgen dat zij geen eigen circuit vormen, maar dienstbaar blijven aan de parochie en deze als levende bouwstenen mede dragen.

Waar het zeer klein geworden plaatselijke parochiegemeenschappen betreft, zullen we ook deze als gemeenschap blijven bevestigen, maar ons tegelijkertijd kritisch de vraag durven stellen in hoeverre een eigen kerkgebouw hier nog mogelijk is.

Om evenwel ook hier gemeenschap niet op te offeren aan schaalvergroting lijkt het zinvol om beleidsmatig onderscheid te maken tussen kerkelijke presentie en vieringsplek. Het zal in de toekomst niet mogelijk zijn, met name in verstedelijkte gebieden, om alle kerkgebouwen te behouden of ook in de vele snelgroeiende nieuwbouwwijken in ons bisdom overal nieuwe kerken te bouwen. Dan kan gedacht worden aan andere vormen van kerkelijke presentie in die wijken, bijvoorbeeld in de vorm van een pastoraal contactpunt, een samenkomstruimte voor kleinere groepen, een devotiekapel et cetera, terwijl de gelovigen voor de weekendvieringen blijven aangewezen op de centrale parochiekerk. Wel vraagt dit enige creativiteit bij de kerkopbouw en voor sommige gelovigen een grotere mobiliteit. Onder andere voor oudere parochianen zal wellicht een voorziening van afhalen of meerijden naar de kerk moeten worden georganiseerd.

Bij dit alles zal beleidsmatig natuurlijk rekening gehouden worden met de verschillen tussen parochies, sociale opbouw, stad, platteland et cetera. Het is met name een taak van de dekenaten om voorstellen in deze richting uit te werken.

Concreet voorzie ik bij gemeenschap dan ook een dubbele tendens: enerzijds 'schaalverkleining' in het ontstaan van kleinere groepen van geloof en leven. Anderzijds hier en daar 'schaalvergroting' door concentratie bij het samenkomen van groepen en parochianen in groter verband voor de viering van de Eucharistie op de zondag of de vooravond. Juist concentratie in vieringen kan vaak de liturgische vitaliteit doen toenemen. Voorwaarde is dan wel dat parochiële gemeenschap zich niet hiertoe beperkt.

Het theologische beeld van gemeenschap als Lichaam van Christus verwijst ook naar de verschillende ambten, functies, rollen die de leden van dit Lichaam hebben bij de opbouw van de Kerk. In katholiek geloofsverstaan is de Kerk als geheel sacramenteel en apostolisch, gebouwd op het fundament van de apostelen, niet alleen als historisch feit, maar in haar wezenstructuur. Zij kan dan ook niet zonder het gewijde ambt, waarin op bijzondere wijze de sacramentele aanwezigheid van Christus voor iedere generatie nieuw wordt gerealiseerd. Ook al is er in deze zin voor de priester geen alternatief, het is evenzeer waar dat het priesterlijk dienstwerk niet de hele Kerk vormt. Het ambt is zeker niet alles, maar wat het is moet het mogen zijn.

De taak van de priester is het om het volk van God in woord en sacrament te voeden, te sterken en steeds meer aan Christus en elkaar te binden. Dat is de kern van zijn herder- en leiderschap. Een dergelijk herderschap zal dan ook nooit de eigen taak van pastoraal werk(st)ers en vrijwillig(st)ers, van diakens en religieuzen overnemen, maar hen juist stimuleren en vrijmaken om hun eigen bijdrage te leveren aan de opbouw van de Kerk. Want ook dat is een teken van de tijd: de gelovige leek die vroeger te veel object van pastorale zorg was, heeft zich ontwikkeld tot medeverantwoordelijke voor Kerk en pastoraal. Het stemt mij dan ook dankbaar dat zo velen hun rijkdom aan gaven en charismata willen inzetten voor de Kerk (1 Kor 4,7). Alleen zó kan de H. Geest ten volle zijn werk doen.

De eigen bijdrage van met name pastoraal werk(st)ers zien Instructie en Nota vooral gelegen op het 'terrein van pastoraat en catechese'. "Concreet richten zij zich in hun pastoraal werk op de begeleiding van gelovigen, op opbouw van de gemeenschap, op catechetische en diaconale vorming en toerusting". (Nota pag. 13) De Nota plaatst hun dienstwerk in de traditie van de didaskalos, leraar, in de oude Kerk. Ook in onze huidige Kerk ligt hier een breed en cruciaal terrein van inzet. Bovendien toont de dagelijkse praktijk in ons bisdom vele voorbeelden waar pastoraal werk(st)ers niet alleen in kerkopbouw en organisatie, maar ook in het zgn. "pastoraat van de nabijheid" zeer goed werk verrichten.

De zending door de bisschop geeft hun voor al deze taken het benodigde gezag. "Het is een gezag, ontleend aan het gezag van de bisschop: dat van machtiging of mandaat" (Nota pag. 12). De zending geeft de pastoraal werk(st)er zijn/haar bijzondere positie in de Kerk en formuleert tegelijk de normen van opleiding, spiritualiteit en taakuitoefening.

Concreet betekent dit ook voor ons bisdom dat in de taakstelling en functiebeschrijving van met name nieuwe pastoraal werk(st)ers deze taken van gemeenschapsopbouw, groepswerk, catechese en pastoraal centraal zullen staan. Ook liturgisch dienstwerk blijft mogelijk overeenkomstig de verderop genoemde regelingen, maar hier ligt niet de kern van de identiteit van de pastoraal werk(st)er. Ik ben mij er evenwel van bewust dat pastoraal werk(st)ers vaker een brede verantwoordelijkheid voor de parochies dragen, en dat gewetensvol en trouw aan de Kerk doen. Ook daar is het echter van belang dat de identiteit van de pastoraal werk(st)er niet als uitwisselbaar wordt gezien met die van de priester, maar juist steeds meer kan groeien in een eigen profilering. Zo blijven de positie en taak van pastoraal werk(st)ers onverminderd waardevol en ik vraag daarom parochies en dekenaten zoveel mogelijk een samenwerking in bovenstaande zin te stimuleren om zo ieders inzet ten volle vruchtbaar te maken.

Liturgie

Heel ons kerk-zijn is opgebouwd rond de aanwezigheid van de levende, verrezen Heer in ons midden. "Waar twee of drie bijeen zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden", zegt Hij zelf. Dit wordt werkelijkheid overal waar christenen samen bidden, vieren, dienen. Het realiseert zich op unieke wijze in het kernsacrament van de Heilige Eucharistie.

In de consultatiebijeenkomsten werd veelvuldig gewezen op de betekenis van nieuwe vormen van vieren met lekenvoorgangers in ons bisdom. En het moet erkend worden dat juist hier velen een grote inzet getoond hebben en tonen. Zij houden de gemeenschap bij elkaar waar een priester wordt gemist en hebben daarenboven het zicht geopend op nieuwe vormen van gebed en samenzijn in woord- en communievieringen, avondwaken, oecumenische gebedsdiensten, vespervieringen et cetera.

Als de bisschoppen juist op dit liturgisch terrein de richtlijnen van de Kerk meer gehandhaafd willen zien, dan is dat zeker geen gebrek aan waardering voor al diegenen die zich hier inzetten. Het gaat ook niet om een wettische houding. De regels zijn geen doel op zichzelf. Ze zijn slechts de omheining die het mysterie omgeven, het heilige behoeden. Ze zijn uitdrukking van de eerbied en liefde die we de Heer in ons midden verschuldigd zijn. Regels zijn ook nodig om alle vieringen hun juiste plaats en karakter te geven binnen het leven van de Kerk, niet als concurrerende vormen, maar als spirituele rijkdom.

Vanaf de vroegste tijden is de zondag de dag waarop christenen samenkomen om Eucharistie te vieren. In de Heilige Eucharistie is het Christus zelf die in de persoon van de priester als gastheer aanwezig is om zijn volk te voeden en brood en wijn blijvend omvormt tot zijn Lichaam en Bloed, tot dragers van zijn ziel en zijn Godheid (vgl. KKK 1374). In de viering van de Eucharistie zijn we werkelijk aanwezig bij het Laatste Avondmaal, voltrekt zich aan ons het paasmysterie van dood en opstanding. Het is offer in de vorm van een maaltijd. Daarom schrijft het Tweede Vaticaans Concilie: "Geen enkele christelijke gemeenschap wordt opgebouwd als ze niet haar wortel en middelpunt heeft in de viering van de Heilige Eucharistie" (PO 6). Hieruit komt de bekommernis van de bisschoppen voort om de Eucharistie ook nu het hart te laten zijn van onze geloofsgemeenschap, met name op de zondag. Zij stellen daarom dat de Eucharistie de eigenlijke vorm van vieren is op de zondag of de vooravond, en alleen bij werkelijke noodzaak vervalt. Ook voor ons bisdom geldt dat alleen indien werkelijk geen priester beschikbaar is, de diaken of pastoraal werk(st)er met een zending van de bisschop de bevoegde bedienaar is om een woord- en communiedienst te leiden. Indien ook deze niet beschikbaar zijn kunnen leden van een liturgische werkgroep voorgaan in een woord- en/of gebedsviering. Dit laat natuurlijk onverlet dat naast de eucharistieviering ook andere vormen van eredienst aanbevelenswaardig zijn - ochtendgebed, vesperdienst, rozenkransgebed, aanbidding etc -, niet als vervanging van maar als aanvulling op de Eucharistie.

De woord- en communieviering is een toepassing van het zgn. "Communie uitreiken buiten de heilige mis", dat in principe bedoeld is voor gelovigen die door bepaalde omstandigheden, bv. ziekte, niet in de gelegenheid zijn de eucharistie mee te vieren. De nota "De viering van de zondag" van het bisdom Haarlem uit 1987 stelde dan ook op grond van liturgische motieven dat "de communiedienst als gewone zondagsviering van de parochie (...) geenszins voor de hedendaagse praktijk is aan te bevelen", maar dat, waar de volledige eucharistische samenkomst niet mogelijk is, veeleer "de woord- of gebedsdienst een authentieke vorm van samenkomen op de zondag" is. Indien een parochie evenwel toch kiest voor de woord- en communieviering, dan is dat mogelijk met de aantekening dat een dergelijke viering alleen haar eigen plaats heeft in het weekend, met name op de zaterdagavond.

Oorsprong en doel van de woord- en communieviering is het namelijk om daar waar de Eucharistie langere tijd ontbeerd moet worden, de gelovigen op de zondag of de vooravond een ontmoeting met de eucharistische Heer toch mogelijk te maken. Vieringen door de week zijn, tenzij Eucharistie gevierd wordt, altijd woord- en/of gebedsvieringen. Bij een uitvaart kan dit gezien de gegroeide praktijk soms op onbegrip stuiten en dit vraagt dan veel prudentie, maar de nota wil toch ook hiervoor aandacht (vgl. Nota pag. 26). De Kerk beveelt het bidden van christenen in oecumenisch verband van harte aan, waarbij uiteraard blijft staan dat ook dergelijke oecumenische vieringen of vieringen waar mensen van verschillende denominaties samenkomen, altijd woord- en/of gebedsvieringen zijn, die op de zondag de eucharistieviering niet kunnen vervangen, maar wel aanvullen. Ik wil u vragen deze principes op de situatie in uw parochie toe te passen:

  • Het uitgangspunt van Instructie en Nota dat een woord- en communieviering nooit gehouden kan worden wanneer in een bepaalde kerk in hetzelfde weekend al een eucharistieviering plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, dient in eerste instantie zó te worden toegepast,
  • dat in dezelfde kerk op dezelfde dag geen eucharistie- en woord- en communieviering naast elkaar gehouden worden; dat bij de verdeling van de Eucharistie en woord- en communievieringen binnen een parochie of cluster van parochies de zondag de dag van de Eucharistie blijft;
  • dat in parochies met verschillende kerken of in een cluster van nauw samenwerkende parochies zo mogelijk één kerk is waar altijd - behoudens overmacht - op zondagen en verplichte feestdagen Eucharistie gevierd wordt;
  • dat binnen een parochie of cluster met verschillende kerken de tijden van de vieringen op zondag zodanig op elkaar worden afgestemd dat één priester, die daartoe in staat en bereid is, in twee kerkgelegenheden de Heilige Eucharistie kan vieren.

In de context van de liturgie wil ik ook de bediening van de andere sacramenten toelichten.. Hier kan voor de pastoraal werkenden, met name de priester, gemakkelijk een te grote werkdruk ontstaan vanuit de veelvuldige vraag naar persoonlijk toegesneden sacramentenbediening. Pastoraal is deze laatste zeker zinvol. Ook is het de ervaring van velen dat juist deze zogenaamde 'scharniermomenten' waardevolle knooppunten zijn in het religieuze leven van mensen en kansen bieden voor verdieping. Toch lijkt het met het oog op de toekomst goed ook hier te proberen de gemeenschapsdimensies te versterken.

Inmiddels is met de gemeenschappelijke huwelijksvoorbereiding goede ervaring opgedaan in heel wat parochies en dekenaten op verschillende plaatsen in Nederland. De assistentie bij huwelijkssluitingen is in het canoniek recht primair voorbehouden aan priesters en diakens, en betreft de geldigheid, maar staat uiteraard een participatie van pastoraal werk(st)ers in voorbereiding en viering niet in de weg. Ook meer gezamenlijkheid in doopvieringen en doopvoorbereiding is wereldwijde praktijk en groeiend, ook in Nederland. "Sacramenteel vieren hoort thuis in het midden van de geloofsgemeenschap en haar contact met Christus", schrijft de Nota. Daarom kan de gewijde bedienaar als vertegenwoordiger van Christus hier in principe niet ontbreken. (vgl. Nota pag. 27). Wilt u ook voor gemeenschappelijke doopvieringen wegen zoeken in uw concrete parochiesituatie? Het verlenen van doopverlof aan nieuwe pastoraal werk(st)ers - wat door Instructie en Nota in habituele vorm wordt afgewezen - zal worden beoordeeld in het licht van aantallen en de (on)mogelijkheid om gemeenschappelijke doopvieringen door te voeren in een bepaalde situatie.

Ten aanzien van het sacrament van het vormsel heb ik al eerder enige voorstellen gedaan, met name om de toediening zoveel mogelijk te laten plaatsvinden in de periode van het kerkelijk jaar die daarvoor het meest geëigend is, de tijd rond Pinksteren, in concreto de maanden vanaf Pasen tot de zomer, en bij voorkeur niet in Advent of Veertigdagentijd. Ook heb ik toen aangegeven, mij goed meer gezamenlijke vieringen te kunnen voorstellen binnen cluster of dekenaat, of zelfs ook speciale vormselgebedsvieringen in de Kathedraal van ons bisdom, hetgeen natuurlijk presentatievieringen van de kinderen in de eigen parochie niet hoeft uit te sluiten. De reden van deze voorstellen was zeker niet gelegen in onvrede met de vieringen zoals die nu plaatsvinden, wat in de meeste parochies zeer goed gebeurt en door vormselwerkgroepen intensief wordt voorbereid, maar veeleer in enkele liturgische en praktische motieven. Op dit moment wil ik u alleen vragen binnen uw eigen parochie en werkgroep nog eens te brainstormen over enige aspecten van het vormsel, zoals tijdstip, leeftijd, vorm en dergelijke.

Wat betreft het sacrament van de zieken is al op vele plaatsen de praktijk ontstaan van gemeenschappelijke toediening van dit sacrament aan bejaarden en ernstig zieken, naast de individuele bediening. De pastorale praktijk vraagt inderdaad deze vorm, waarbij de bisschoppen wel verlangen dat iedere verwarring bij de gelovigen, ten aanzien van het sacrament van de zieken en niet-sacramentele vormen van gebed en stervensbegeleiding, wordt vermeden. Dit betekent bijvoorbeeld dat het sacrament van de zieken en de zgn ziekenzegening nooit naast elkaar in één viering worden toegediend. De priester is de eigen en enige bedienaar van het sacrament. De ziekenzegening door een pastoraal werk(st)er heeft een authentieke plaats ter voorbereiding op het sacrament of waar in een noodsituatie geen priester voor het toedienen van het sacrament kan worden gevonden.

Met betrekking tot het sacrament van boete en verzoening is het probleem niet zozeer de onhelderheid, als wel de afwezigheid ervan in het leven van de Kerk in Nederland. Toch is juist dit een van de meest bevrijdende sacramenten, waaraan zeker - zij het verborgen - nood en behoefte is. De praktijk in bedevaartsoorden en bij grote religieuze bijeenkomsten, waar mensen massaal dit sacrament zoeken, wijst daarop. In het gewone kerkelijke leven is de drempel voor mensen vaak te hoog. Daarom vraag ik allen en in het bijzonder de priesters om creatief te proberen ook voor het persoonlijk biechtgesprek wegen te vinden en de toegang tot dit sacrament voor mensen te vergemakkelijken.

Wat de vormgeving van de liturgie betreft, verwijs ik naar de brochure van de Nederlandse bisschoppen van 1997: "De ontmoeting met Jezus de Heer", alsook naar de aparte notitie van onze liturgisten, die kort na dit schrijven zal verschijnen.

Verkondiging

Een andere belangrijke dimensie van kerk-zijn is dat van de verkondiging. Ook hierover is bij de consultatieronde door velen gesproken. Dit betreft het hele scala van geloofsoverdracht, catechese en vorming, evangelisatie en prediking. Hier ligt een taak voor allen, voor priesters, diakens, pastoraal werk(st)ers en zeker ook voor de vrijwillig(st)ers in onze Kerk. Het lijkt me een eis van de tijd dat eenieder die geloof en inspiratie heeft, mogelijkheden vindt om hierin vorming en toerusting te krijgen teneinde zijn/haar broeders en zusters te kunnen sterken. De vele eerlijk zoekende, maar tegelijk in geloofszaken onwetende mensen, vragen creativiteit bij het opzetten van catechesebijeenkomsten, sacramentenvoorbereiding, gebeds- en meditatievieringen et cetera.

Alleen in de eucharistieviering zijn, vanwege de theologische gedachte dat de priester in persona Christi niet alleen het brood, maar ook het woord breekt voor de gemeenschap, de mogelijkheden voor verkondiging door niet-gewijden beperkt, maar niet geheel afwezig. (Nota blz.22/23).

De geloofsopvoeding van kinderen en jongeren is in de eerste plaats natuurlijk een verantwoordelijkheid van de ouders, maar wij zijn allen mede verantwoordelijk. In de parochie kunnen we dat doen door de kindercatechese en het jeugd en jongerenpastoraat. In de school speelt het vak Godsdienst/Levensbeschouwing daarbij een belangrijke rol. Om in de pluriforme schoolwereld als Kerk zo goed mogelijk present te blijven is in ons bisdom een nieuw initiatief gerealiseerd in de stichting 'Arkade' dat de inzet van alle schoolcatecheten / identiteitsbegeleiders bundelen en aan de scholen aanbiedt. Zo kunnen met name 'kwaliteit' en 'continuïteit' beter worden gegarandeerd.

Wat het tweede betreft kunnen we de niveaus van parochie, dekenaat en bisdom onderscheiden. De parochie heeft een eigen verantwoordelijkheid in het aanbieden van bijbelavonden, sacramentenvoorbereiding et cetera. Hier gebeurt gelukkig al heel veel. Op dekenaal niveau ligt al een stevig aanbod van de pastorale scholen, met name de 2-jarige toerustingcursus. De dienst Catechese van ons bisdom is op dit moment tezamen met de catecheten bezig om dit aanbod te bundelen tot een gemeenschappelijk en uitwisselbaar curriculum. De toerusting voor pastorale taken in de parochies, die met name hier gebeurt kan zo nog effectiever worden gemaakt. Op diocesaan niveau is de 4-jarige weekendopleiding voor permanente diakens ook opengesteld voor niet-diaken kandidaten. Na afloop van de opleiding kunnen zij als theologisch gekwalificeerd vrijwillig(st)er met een zending van de bisschop ten dienste komen van parochies met name op het vlak van de catechese. Op deze wijze wordt geprobeerd het vele goede dat op dit terrein al gebeurt zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen en vruchtbaar te maken.

Een prioriteit in onze dagen lijkt me ook gelegen in het ontwikkelen van eenvoudige voorbereidende vormen van geloofsinleiding (precatechese), voor de vele jonge en ook oudere mensen die in onze tijd op zoek zijn naar zingeving en antwoorden op hun levensvragen. De ervaringen van de Wereldjongerendagen en Taizé wijzen in deze richting. Dit alles raakt aan de missionaire opdracht van de Kerk en de zending tot (her)evangelisatie, waarvoor de inzet van allen gevraagd is. Ook al beroeren Instructie en Nota dit terrein niet direct, het is daarom niet minder belangrijk. Graag breng ik dit onder uw aandacht en vraag hierover uw suggesties en ideeën. Ik heb de intentie om hierover te zijner tijd een aparte nota uit te geven.

Diakonie

Tenslotte kom ik bij het aandachtsveld diaconie. Ook dit valt weliswaar buiten de directe doelstelling van Instructie en Nota, maar mag bij zoeken naar vitale vormen van kerk-zijn zeker niet ontbreken. Het gaat om diaconie in brede zin, om de verantwoordelijkheid die wij vanuit ons mens-zijn en christen-zijn dragen voor elkaar, onze medemens en onze wereld.

De opdracht 'zout der aarde' en 'licht der wereld' te zijn, verplicht de Kerk om niet in zichzelf besloten te blijven, maar om in dienst te staan van het Koninkrijk. "De Kerk is sacrament van heil voor de gehele mensheid en haar actie beperkt zich niet tot hen die haar boodschap aanvaarden", schrijft de paus in navolging van het concilie. Het 'Aggiornamento' van het concilie was de vrucht van dit besef dat we als gelovigen niet binnen de kerkmuren mogen blijven en het maatschappelijke, sociale en politieke leven overlaten aan de niet-gelovigen. De Kerk moet de wereld in, moet 'eigentijds' worden, niet door zich steeds aan te passen aan de waarden en normen van deze wereld, maar door ook op eigentijdse wijze 'teken van tegenspraak' te zijn en de wereld van vandaag te doordesemen met de gerechtigheid, waarheid en liefde van het evangelie. De 'optie voor de armen' waarvoor de Kerk heeft gekozen betreft daarbij een 'voorkeurliefde' voor al diegenen die in geestelijke of materiële nood zijn.

Het hoort - meen ik - tot de centrale opgave van onze tijd om de beide dimensies van geloof, de liefde tot God en de naaste, op harmonische wijze met elkaar te verbinden. Alleen samen maken ze als verticale en horizontale balk het volledige kruis, volwaardig christendom. Het is verheugend dat diaconaal al zeer veel wordt gedaan, zowel op parochieel, dekenaal en diocesaan niveau.

Tegelijk is het diaconale veld steeds in beweging; 'oude' noden verdwijnen, 'nieuwe' ontstaan. Als schrijnende 'nieuwe' nood dient zich de steeds groeiende groep vreemdelingen en vluchtelingen aan, alsook de drugsverslaafden, dak-en thuislozen, waaronder steeds meer jongeren. Het is een probleem dat de overheid niet afdoende kan oplossen omdat hier niet alleen materiële hulp en voorziening gevraagd is, maar bovenal mensen met een hart. Op enkele plaatsen in het bisdom zijn hiertoe al hoopvolle projecten gestart of staan op stapel.

Ook de groeiende eenzaamheid stelt nieuwe uitdagingen. Door het wegvallen van familie- en burennetwerken raken te veel mensen in een sociaal isolement en is ook bij ziekte of handicap vaak niet voldoende 'eigen' verzorging beschikbaar. Ook hier ligt bij uitstek een terrein van eigentijdse diaconie. Daarnaast zijn natuurlijk nog talloze andere diaconale initiatieven denkbaar of al in gang rond armoede, arbeid, gezin, jeugd et cetera. Hier is de edelmoedigheid en creativiteit van de gelovige leek en in het bijzonder ook van de diaken gevraagd. Aan allen die op dit terrein hun inzet tonen spreek ik mijn waardering uit en ik hoop dat zij velen, binnen en buiten de Kerk, tot voorbeeld zullen zijn.

Slotbeschouwing

Natuurlijk is er veel meer te zeggen over ons 'samen-Kerk-zijn' dan Instructie en Nota hebben gedaan. Ik ben mij ervan bewust dat het ingezette proces niet vanzelf zal verlopen. Daarom heb ik met de dekens afgesproken om gezamenlijk te evalueren hoe deze toepassing gestalte krijgt in het pastorale leven van ons bisdom. Een begeleidingscommissie, samengesteld uit stafleden van de diocesane diensten en dekenaten, zal bij deze evaluatie behulpzaam zijn. De nieuwe stafmedewerker Communicatie en Organisatie is contactpersoon voor deze begeleidingscommissie. Ook heb ik aangekondigd om, gedurende dit proces, een nieuw overlegorgaan in te stellen, waar alle pastoraal werkenden - priesters, diakens, pastoraal werk(st)ers - deel van uitmaken. Samen met de leden van de bisschopsraad zal ik elk dekenaat bezoeken voor een vergadering/ontmoeting met alle pastoraal werkenden, alsmede de deken, coördinator en vice-voorzitter van het dekenaal bestuur. Hier kunnen alle lopende zaken worden besproken, informatie uitgewisseld en ook het bovenstaand proces worden geëvalueerd.

Op deze wijze hoop ik dat we samen een weg kunnen inslaan naar meer vitaliteit, eenheid en het overwinnen van polarisatie. Een doel dat naar mijn eerlijke mening alleen bereikt kan worden als enerzijds de aanwijzingen van de bisschoppen daadwerkelijk worden gerespecteerd, en anderzijds de dragers van het pastoraat, priesters, diakens, pastoraal werk(st)ers en vrijwillig(st)ers zich in hun inzet en worsteling met de pastorale weerbarstigheid van alledag gekend en gewaardeerd weten. Ik weet hoe groot de bereidheid van velen is, om telkens weer, ondanks tegenslagen, gehoor te geven aan de uitnodiging om in de voetsporen van Christus zich voor de Kerk en voor de naaste, in te zetten. We staan als kerkgemeenschap voor grote uitdagingen en nieuwe kansen, waarvoor een sterk getuigenis van geloof en liefde onmisbaar is. De verantwoordelijkheid voor de mensen van deze tijd verplicht ons daartoe.

Tot slot spreek ik het vertrouwen uit dat het ons lukken zal samen die goede weg naar de toekomst te vinden en vraag daarvoor de bescherming van de Heilige maagd Maria, Moeder van de Kerk, en de bijzondere zegen van God.

Haarlem, 22 januari 2001

+ Jozef Marianus Punt
Apostolisch Administrator
van het bisdom Haarlem




Bisdom Haarlem - Amsterdam • Postbus 1053 • 2001 BB  Haarlem • (023) 511 26 00 • info@bisdomhaarlem-amsterdam.nlDisclaimerDeze website is gerealiseerd door iMoose