Bisdom Haarlem-Amsterdam









Delen:
meld deze pagina op Twitter meld deze pagina op Facebook
Volgen:
link naar de RSS Feed van de laatste nieuwsberichten volg Pancratiusparochie op Twitter volg Pancratiusparochie op Facebook

Boodschap H. Vader bij Wereldvredesdag

gepubliceerd: dinsdag, 4 januari 2011

Boodschap H. Vader bij WereldvredesdagOmwille van de actualiteit publiceren wij alsnog de bood­schap van de H. Vader bij gelegenheid van Wereldvredesdag 2011; het thema is godsdienstvrijheid.

BOODSCHAP VAN PAUS BENEDICTUS XVI

BIJ DE VIERING VAN WERELDVREDESDAG

1 januari 2011 

GODSDIENSTVRIJHEID, DE WEG NAAR VREDE

1. Aan het begin van het nieuwe jaar wens ik eenieder gemoedsrust en voorspoed, maar vooral vrede. Helaas werd het jaar dat nu ten einde loopt gekenmerkt door vervolging, discriminatie, vreselijk geweld en religieuze onverdraagzaamheid.

Mijn gedachten gaan op speciale wijze uit naar het geliefde land Irak, dat op zijn weg naar stabiliteit en verzoening nog steeds het toneel is van geweld en aanslagen. Ik denk aan het recente leed van de christelijke gemeen­schap. In het bijzonder aan de schandelijke aanval op de Syrisch-Katholieke Kathedraal van O.L. Vrouw van Eeuwigdurende Bijstand in Bagdad, waar op 31 oktober twee priesters en meer dan vijftig gelovigen tijdens de Heilige Mis werden gedood. In de dagen daarna volgden nog meer aanvallen, zelfs op woningen. Zo werd er angst gezaaid onder de christenen en nam bij velen het verlangen toe om te emigreren op zoek naar een beter leven. Ik verzeker hen van mijn per­soon­lijke nabijheid en die van de gehele Kerk. Deze nabijheid vond concrete uitdrukking in de recente Bijzondere Assemblee over het Midden-Oosten van de Bis­schop­pen­synode. De Synode moedigde alle katholieken in Irak en heel het Midden-Oosten aan om in gemeen­schap te leven en door te gaan met moedig te getuigen van het geloof in deze landen.

Ik druk mijn diep gevoelde dank uit aan alle regeringen die werken aan verlichting van het verdriet van deze leden van de menselijke familie, en ik vraag alle katholieken om hun gebed en steun voor deze broeders en zusters in het geloof die slachtoffer zijn van geweld en onverdraagzaamheid. In dit verband leek het mij heel passend om enkele gedachten met u te delen over godsdienstvrijheid als de weg naar vrede. Het is pijnlijk te bedenken dat men in sommige delen van de wereld onmogelijk vrij zijn godsdienst kan belijden, tenzij met gevaar voor eigen leven en per­soon­lijke vrijheid. In andere streken zien we subtielere en geraffineerdere vormen van vooringenomenheid en vijandigheid jegens gelovigen en religieuze symbolen. Op dit moment zijn christenen degenen die het meeste lijden onder vervolging wegens hun geloof. Velen van hen ervaren dagelijks beledigingen en bedreigingen vanwege hun streven naar waarheid, geloof in Jezus Christus en hun oprechte pleidooi voor respect van de godsdienstvrijheid. Deze situatie is onaanvaardbaar, omdat zij een belediging inhoudt van God en de menselijke waardigheid. Ook vormt zij een bedreiging voor de vrede en veiligheid, en een obstakel voor de authentieke ontplooiing van heel de mens.[1]

Godsdienstvrijheid drukt uit wat uniek is aan de mens. Dardoor kunnen wij immers ons per­soon­lijke en sociale leven op God richten. Zijn licht brengt ons tot een volledig begrip van de identiteit, betekenis en bedoeling van de persoon. Deze vrijheid ontzeggen of willekeurig inperken is de menselijke persoon verminken. Het verduisteren van de publieke rol van de godsdienst creëert een maat­schappij die de ware aard van de mens vero­nachtzaamt. Dat maakt de groei van echte en blijvende vrede van heel de menselijke familie onmogelijk.

Om die reden roep ik alle mannen en vrouwen van goede wil op zich opnieuw in te zetten voor een wereld waarin allen vrij hun godsdienst of geloof kunnen belijden en hun liefde tot God kunnen uiten met heel hun hart, met heel hun ziel en met heel hun verstand (vgl. Mt 22:37). Dat is de inspirerende en leidende gedachte voor deze Bood­schap voor Wereldvredesdag, gewijd aan het thema: Godsdienstvrijheid, de weg naar vrede.

Een heilig recht op leven en een geestelijk leven

2. Het recht op godsdienstvrijheid wortelt in de waardigheid zelf van de menselijke persoon.[2] Diens transcendente natuur mag niet worden ontkend of buiten beschouwing blijven. God schiep man en vrouw naar zijn beeld en gelijkenis (vgl. Gen 1:27). Daarom heeft ieder mens het heilige recht op een vol­waar­dig leven, ook vanuit spiritueel oogpunt. Zonder de erkenning van zijn geestelijk wezen, zonder openheid voor het bovennatuurlijke, trekt de menselijke persoon zich in zichzelf terug. Hij kan dan de diepste vragen van het hart over de zin van het leven niet beantwoorden, noch passende en blijvende ethische waarden en principes vinden, of zelfs echte vrijheid ervaren en bouwen aan een rechtvaardige maat­schappij.[3]

De Heilige Schrift, over­een­komstig onze eigen ervaring, openbaart de diepe waarde van de menselijke waardigheid: “Zie ik de hemel, het werk van Uw vingers, de maan en de sterren door U daar bevestigd, wat is dan de sterveling dat U aan hem denkt, het mensenkind dat U naar hem omziet? U hebt hem bijna een god gemaakt, hem gekroond met glans en glorie, hem toevertrouwd het werk van Uw handen en alles aan zijn voeten gelegd” (Ps 8:4-7).

Als we kijken naar de sublieme werkelijkheid van de menselijke natuur kunnen we dezelfde verbazing ervaren die de psalmist had. Onze natuur verschijnt als openheid voor het Mysterie, een vermogen om diepe vragen te stellen over onszelf en de oorsprong van het heelal, en als een diepe echo van de hoogste liefde van God, begin en eind van alle dingen, van elk mens en volk.[4] De transcendente waardigheid van de persoon is een wezenlijke waarde van de joods-christelijke wijsheid, maar kan via de rede door iedereen erkend worden. Deze waardigheid, opgevat als vermogen om boven zijn eigen materialiteit zijn uit te stijgen en de waarheid te zoeken, moet erkend worden als universeel goed, onmisbaar voor het bouwen van een maat­schappij die op menselijke ontplooiing is gericht. Respect voor essentiële elementen van menselijke waardigheid, zoals het recht op leven en het recht op godsdienstvrijheid, is een voorwaarde voor de morele legitimiteit van elke sociale en wettelijke norm.

Godsdienstvrijheid en weder­zijds respect

3. Godsdienstvrijheid ligt ten grondslag aan morele vrijheid. Openheid voor de waarheid en volmaakte goedheid, openheid voor God, wortelt in de menselijke natuur. Zij geeft totale waardigheid aan elk individu en is de garantie voor volledig weder­zijds respect tussen personen. Godsdienstvrijheid dient dan ook niet alleen te worden gezien als vrijwaring van dwang, maar nog fundamenteler als mogelijkheid om eigen keuzes met de waarheid in overeenstemming te brengen.

Vrijheid en respect zijn onscheidbaar. Ja "bij de uitoefening van hun rechten zijn in­di­vi­duen en groepen gebonden aan de morele plicht rekening te houden met de rechten van anderen, de eigen plichten tegenover anderen en het algemeen belang”.[5]

Een vrijheid die vijandig of onverschillig staat ten opzichte van God loopt uiteindelijk uit op zelfontkenning en garandeert niet een volledig respect voor anderen. Een wil die zichzelf fundamenteel niet in staat acht om de waarheid en het goede te vinden heeft geen objectieve redenen of motieven tot handelen, behalve die welke haar door directe en toevallige belangen worden gedicteerd. Zij heeft geen “identiteit” om aan te bouwen door echt vrije en bewuste beslissingen. Dientengevolge kan zij geen respect eisen van andere “willen”, die zelf los staan van hun eigen diepste wezen en zo andere “redenen” of zelfs geen enkele “reden” kunnen laten gelden. De illusie dat moreel relativisme de sleutel biedt tot vreedzame co-existentie is in feite de bron van verdeeldheid en ontkenning van de waardigheid van mensen. We kunnen daarmee de noodzaak inzien, dat er een tweevoudige dimensie erkend wordt binnen de eenheid van de menselijke persoon: een religieuze dimensie en een sociale dimensie. In dit verband “is het onvoorstelbaar dat gelovigen een deel van zichzelf, hun geloof, zouden moeten onderdrukken om actieve burgers te zijn. Het zou nooit nodig moeten zijn God te ontkennen om onze rechten te verkrijgen”.[6]

Het gezin, een school voor vrijheid en vrede

4. Als godsdienstvrijheid de weg naar vrede is, is een godsdienstige opvoeding de verkeersader die nieuwe generaties ertoe leidt anderen als hun broeders en zusters te zien. Met hen zijn zij geroepen samen te reizen en te werken, zo dat allen zich leden van de mensenfamilie voelen, waarvan niemand uitgesloten moet worden.

Het gezin dat gebaseerd is op het huwelijk, als uitdrukking van de nauwe eenheid en complementariteit tussen een man en een vrouw, is eigenlijk de eerste school voor sociale, culturele, morele en spirituele vorming en groei van kinderen. Zij zouden altijd in hun vader en moeder de eerste getuigen moeten kunnen zien van een leven gericht op de waarheid en de liefde tot God. Ouders dienen altijd vrij te zijn om verant­woor­de­lijk en zonder dwang hun erfgoed van geloof, waarden en cultuur op hun kinderen over te dragen. Het gezin, de eerste cel van de menselijke samenleving, blijft de eerst aangewezen oefenplek voor harmonieuze relaties op elk niveau van samenleven, menselijk, nationaal en inter­nationaal. Wijsheid toont deze weg naar een sterk en broederlijk sociaal weefsel, waarin de jeugd kan worden voorbereid op haar eigen verant­woor­de­lijkheden in het leven, in een vrije samenleving en een geest van begrip en vrede.

Een gemeen­schap­pe­lijk erfgoed

5. Men kan stellen dat onder de grondrechten en vrijheden vanuit de waardigheid van de persoon, de godsdienstvrijheid een bijzondere plaats inneemt. Als deze wordt erkend, wordt de menselijke persoon in zijn oorsprong gerespecteerd en worden het ethos en de instituties van volkeren versterkt. Waar godsdienstvrijheid daarentegen wordt geweigerd en geprobeerd wordt mensen van het belijden van en het leven naar hun geloof af te houden, wordt de menselijke waardigheid aangetast. Dan worden ook de gerechtigheid en de vrede, gebaseerd op een rechtvaardige sociale ordening in het licht van de opperste Waarheid en Goedheid, bedreigd.

Godsdienstvrijheid is in die zin ook een verworvenheid van een gezonde politieke en juridische cultuur. Zij is een wezenlijk goed: ieder mens moet vrij het recht kunnen uitoefenen om in­di­vi­dueel of als gemeen­schap zijn eigen religie of geloof te belijden en publiek of privé, in onderricht, praktijk, publicaties, eredienst en rituelen te laten zien. Er zouden geen obstakels moeten zijn als hij of zij tot een andere religie wil behoren of er helemaal geen belijdt. In dit verband is het inter­nationaal recht een voorbeeld en essentieel referentiepunt voor staten, in zoverre het geen enkel voorbehoud op de godsdienstvrijheid toestaat zo lang rechtvaardige eisen van de openbare orde worden geëerbiedigd.[7] De inter­nationale orde erkent daarmee dat rechten van religieuze aard dezelfde status hebben als het recht op leven en per­soon­lijke vrijheid en dat zij tot de wezenlijke kern behoren van de mensenrechten, tot die universele en natuurlijke rechten die door menselijke wetgeving nooit kunnen worden geweigerd.

Godsdienstvrijheid is niet het exclusieve erfdeel van gelovigen, maar van de hele volkerenfamilie op aarde. Zij is een wezenselement van een rechtsstaat. Zij kan niet worden geweigerd zonder tegelijkertijd inbreuk te maken op alle fundamentele rechten en vrijheden, omdat zij daarvan synthese en sluitsteen is. Zij is “de lakmoesproef van het respect voor alle andere mensenrechten”.[8] Omdat zij de uitoefening van onze meest specifieke menselijke vermogens mogelijk maakt, creëert zij de noodzakelijke voorwaarden voor een integrale ontplooiing van de persoon in de eenheid van zijn afzonderlijke dimensies.[9]

De publieke dimensie van religie

6. Godsdienstvrijheid vertrekt zoals elke vrijheid vanuit de per­soon­lijke levenssfeer, maar verwezenlijkt zich in relatie met anderen. Vrijheid zonder relatie is geen volledige vrijheid. Godsdienstvrijheid is niet beperkt tot slechts de in­di­vi­duele dimensie, maar wordt gerealiseerd binnen de eigen gemeen­schap en in de maat­schappij, analoog aan het relationele wezen van de persoon en de publieke aard van religie.

Relatie is een beslissende component in de godsdienstvrijheid, die de gemeen­schap van gelovigen aanzet tot praktische solidariteit voor het algemeen belang. In deze gemeen­schapsdimensie blijft ieder mens uniek en onherhaalbaar, maar vindt hij of zij tegelijkertijd voltooiing en volledige verwerkelijking.

De bijdrage van religieuze gemeen­schappen aan de maat­schappij is onmiskenbaar. Talloze charitatieve en culturele instellingen getuigen van de constructieve rol van gelovigen in het maat­schap­pe­lijk leven. Nog belangrijker is de ethische bijdrage van religie op politiek terrein. Zij moet niet worden ge­mar­gi­na­li­seerd of verboden, maar worden gezien als effectieve bijdrage aan het algemeen belang. In dit verband dient de religieuze dimensie van cultuur te worden vermeld, door de eeuwen heen opgebouwd dankzij sociale en met name ethische bijdragen van religie. Deze dimensie discrimineert op geen enkele manier degenen die haar geloofsopvattingen niet delen, maar versterkt juist de sociale samenhang, integratie en solidariteit.

Godsdienstvrijheid, een kracht voor vrijheid en beschaving: de gevaren van haar misbruik

7. Misbruik van godsdienstvrijheid om duistere belangen te maskeren, zoals omverwerping van de gevestigde orde, vergaring van kapitaal of grip van een enkele groep op de macht, kan enorme schade toebrengen aan de samenleving. Fanatisme, fundamentalisme en praktijken die tegengesteld zijn aan de menselijke waardigheid kunnen nooit worden gerechtvaardigd, helemaal al niet in de naam van religie. Het belijden van een godsdienst kan niet worden geïnstrumentaliseerd of met geweld worden opgelegd. Staten en de verschillende mensen­ge­meen­schappen moeten nooit vergeten dat godsdienstvrijheid voorwaarde is voor het streven naar waarheid, die zich niet laat opleggen met geweld, maar “door de kracht van de waarheid zelf”.[10] In die zin is religie een positieve drijvende kracht bij de opbouw van een civiele en politieke maat­schappij.

Hoe kan iemand de bijdrage ontkennen van 's werelds grote religies aan de ont­wik­ke­ling van de beschaving? De serieuze zoektocht naar God heeft geleid tot groter respect voor de menselijke waardigheid. Christelijke gemeen­schappen, met hun erfenis van waarden en beginselen, hebben bij mensen en volkeren veel bijgedragen tot bewustwording van hun identiteit en waardigheid, de vestiging van democratische instituties en erkenning van mensenrechten met de bijbehorende verplichtingen.

Ook in de steeds meer geglobaliseerde samenleving van vandaag worden christenen geroepen om niet alleen door betrokkenheid bij het maat­schap­pe­lijke, economische en politieke leven, maar ook door te getuigen van naasten­liefde en geloof, een waardevolle bijdrage te leveren aan het moeizame en stimulerende streven naar gerechtigheid, integrale ont­wik­ke­ling en een juiste ordening van de menselijke aan­ge­le­genheden. Die ordening wordt beroofd van een open dimensie naar het transcendente, wanneer religie van het publieke leven wordt uitgesloten. Zonder deze fundamentele ervaring wordt het moeilijk om samenlevingen te richten op universele ethische beginselen en om op nationaal en inter­nationaal niveau een wetsorde te vestigen die volledig de grondrechten en vrijheden erkent en respecteert zoals neergelegd in de helaas nog steeds miskende of bestreden doel­stel­lingen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948.

Een kwestie van gerechtigheid en beschaving:

fundamentalisme en vijandigheid tegenover gelovigen doen afbreuk aan de positieve seculariteit van staten

8. Met dezelfde kracht waarmee elke vorm van fanatisme en religieus fundamentalisme wordt veroordeeld moet ook elke vorm van godsdienstvijandigheid, die de publieke rol van gelovigen in het maat­schap­pe­lijke en politieke leven beperkt, worden tegengaan.

Het moge duidelijk zijn dat religieus fundamentalisme en secularisme op elkaar lijken, waar beide extreme verwerping zijn van respectievelijk legitiem pluralisme en het beginsel van seculariteit. Beide verabsoluteren een reductionistische deelvisie op de menselijke persoon, in het ene geval ten gunste van vormen van religieus integralisme en in het andere geval van rationalisme. Een maat­schappij die religie met geweld wil opleggen, of juist wil verwerpen, doet niet alleen onrecht aan in­di­vi­duen en aan God, maar ook aan zichzelf. God roept de mensheid tot zich met een liefdevol plan, dat een vrij en verant­woor­de­lijk antwoord vraagt van de hele persoon met zijn natuurlijke en spirituele dimensies, met heel zijn hart en wezen, in­di­vi­dueel en gemeen­schap­pe­lijk. Ook de maat­schappij, als uitdrukking van de persoon in al haar aspecten, moet zich ontwikkelen en organiseren met openheid voor het transcendente. Juist om deze reden kunnen de wetten en instituties van een samenleving niet zodanig worden vormgegeven dat ze de religieuze dimensie van de burgers negeren of volledig uitsluiten. Door de democratische activiteit van burgers die zich bewust zijn van hun hoge roeping, moeten deze wetten en instituties het wezen van de menselijke persoon voldoende weerspiegelen om zo diens religieuze dimensie te onder­steunen. Aangezien de religieuze dimensie van de mens geen creatie is van de staat, moet zij niet door de staat gemanipuleerd worden, doch veeleer erkend en gerespecteerd.

Waar enig nationaal of inter­nationaal rechtsstelsel religieus of antireligieus fanatisme toestaat, mist het zijn opdracht om gerechtigheid en de rechten van allen te beschermen en bevorderen. Deze dingen kunnen niet aan de willekeur van de wetgever of de meerderheid worden overgelaten, omdat, zoals Cicero ooit zei, gerechtigheid meer is dan louter een systeem dat wetten produceert en toepast. Het houdt ook de erkenning van de waardigheid van iedere persoon in[11]. Wanneer de godsdienstvrijheid niet in haar essentie wordt gegarandeerd en beleefd kan worden, wordt deze waardigheid uiteindelijk verminkt en beschadigd, en kan ze ten prooi vallen aan afgoden, aan relatieve belangen die dan absoluut worden. Met dat alles riskeert de maat­schappij vormen van politiek en ideologisch totalitarisme die de publieke macht benadrukken, terwijl ze de vrijheid van geweten, denken en godsdienst, als waren dit concurrenten, kleineren en beknotten.

Dialoog tussen maat­schap­pe­lijke en religieuze instellingen

9. De erfenis van beginselen en waarden, uitgedrukt door een authentieke religiositeit, is een bron van rijkdom voor volkeren en hun ethos. Ze spreekt direct het geweten en het verstand aan, herinnert aan de behoefte tot morele bekering en bevordert de beoefening van deugden en liefdevolle benadering van anderen als broeders en zusters, als leden van de grotere mensenfamilie.[12]

Onverlet het respect voor de positieve seculariteit van staatsin­stel­lingen moet de publieke dimensie van religie altijd worden erkend. Een gezonde dialoog tussen maat­schap­pe­lijke en religieuze instellingen is fundamenteel voor de integrale ontplooiing van de menselijke persoon en sociale harmonie.

Leven in liefde en waarheid

10. In een geglobaliseerde wereld met toenemend multi-etnische en multi-religieuze samenlevingen kunnen de grote religies dienen als belangrijke factor voor de eenheid en vrede van de menselijke familie. Op basis van hun religieuze overtuiging en het rationeel zoeken van het algemeen belang zijn hun gelovigen geroepen om hun verant­woor­de­lijke betrokkenheid te uiten binnen de context van de godsdienstvrijheid. In de veelheid van religieuze culturen moet gebruik worden gemaakt wat alles wat het goede samenleven bevordert en moet worden verworpen wat de waardigheid van mannen en vrouwen aantast.

De publieke ruimte die de inter­nationale gemeen­schap mogelijk maakt voor religies en hun voorstel voor “goed leven” helpt om te komen tot een mate van overeenstemming over de waarheid en het goede en tot een morele consensus. Deze zijn  fundamenteel voor een rechtvaardig en vreedzaam samenleven. De leiders van de grote religies zijn dankzij hun positie, invloed en autoriteit binnen hun gemeen­schap als eersten geroepen tot weder­zijds respect en dialoog.

De christenen worden op hun beurt aangespoord door hun geloof in God, de Vader van de Heer Jezus Christus, om als broeders en zusters te leven, elkaar te ontmoeten in de Kerk en samen te werken aan de opbouw van een wereld waar in­di­vi­duen en volkeren “geen kwaad meer doen … want kennis van de Heer vervult de aarde, zoals het water de bodem van de zee bedekt” (Js 11:9).

Dialoog als gemeen­schap­pe­lijke zoektocht

11. Voor de Kerk betekent dialoog tussen de aanhangers van de verschillende godsdiensten een belangrijk middel tot samen­wer­king met alle religieuze gemeen­schappen voor het algemeen belang. De Kerk zelf verwerpt niets dat waar en heilig is in de verschillende religies. “Zij heeft hoge achting voor die leef- en gedragswijzen, voor­schriften en onderricht die, hoewel op veel manieren afwijkend van haar eigen leer, toch vaak een lichtstraal van die waarheid weerspiegelt die alle mensen verlicht”.[13]

De weg die we moeten gaan is niet die van relativisme of religieus syncretisme. De Kerk “verkondigt Christus, en dat is steeds haar taak. Hij is ‘de weg, de waarheid en het leven’ (Jh 14:6), in wie de mensen de volheid van het religieuze leven vinden en in wie God alle dingen met zich verzoent”.[14] Toch sluit dit op geen enkele manier de dialoog uit en het samen zoeken naar waarheid op de verschillende gebieden van het leven. Immers, zoals de heilige Thomas van Aquino vaak zei: “elke waarheid, door wie ook geuit, komt van de heilige Geest”.[15]

Het jaar 2011 markeert de vijfentwintigste verjaardag van de Wereldgebedsdag voor de Vrede waartoe Johannes Paulus II in 1986 in Assisi had uitgenodigd. Bij die gelegenheid getuigden de leiders van de grote wereldreligies van het feit dat religie een factor van eenheid en vrede is en niet van verdeeldheid en conflict. De herinnering aan die ervaring geeft reden tot hoop op een toekomst waarin alle gelovigen zichzelf als middelaars van gerechtigheid en vrede zien en dat ook zullen zijn.

Morele waarheid in politiek en diplomatie

12. De politiek en de diplomatie zouden naar het morele en spirituele erfgoed van de grote religies moeten kijken om universele waarheden, beginselen en waarden te zien en te bevestigen, die niet kunnen worden ontkend zonder de waardigheid van de persoon te ontkennen. Maar wat betekent het praktisch om morele waarheid te bevorderen in de wereld van politiek en diplomatie? Dat betekent verant­woor­de­lijk handelen op basis van objectieve en integrale kennis van de feiten. Het betekent politieke ideologieën ontmantelen die uiteindelijk de waarheid en mens­waar­digheid verdringen om pseudowaarden te bevorderen onder het voorwendsel van vrede, ont­wik­ke­ling en mensenrechten. Het betekent een niet aflatende inzet voor de enting van positieve wetgeving op de principes van de natuurwet.[16] Dit alles is nodig om coherent te zijn met het respect voor de waardigheid en de waarde van de menselijke persoon, vastgelegd door de volkeren van de wereld in het Handvest van de Verenigde Naties in 1945. Hierin liggen de universele waarden en morele beginselen vervat als referentiekader voor de normen, instituties en stelsels die het samenleven op nationaal en inter­nationaal niveau regelen.

Haat en vooroordeel voorbij

13. Ondanks de lessen van de geschiedenis en de pogingen van staten, inter­nationale en regionale instellingen, niet-gouvernementele organisaties en de vele mannen en vrouwen van goede wil die dagelijks werken aan de bescherming van fundamentele rechten en vrijheden, is de wereld van vandaag ook getuige van vervolging, discriminatie, geweld en onverdraagzaamheid op basis van religie. Speciaal in Azië en in Afrika zijn de hoofdslachtoffers leden van religieuze minderheden. Hun wordt het vrij belijden of veranderen van religie ontzegd middels intimidatie en beroving van hun rechten, basisvrijheden en essentiële goederen, inclusief hun per­soon­lijke vrijheid en zelfs hun leven.

Er bestaan ook, zoals ik al stelde, meer geraffineerde vormen van godsdienstvijandigheid. In westerse landen uit die zich soms in ontkenning van de geschiedenis en verwerping van religieuze symbolen die de identiteit en cultuur van de meerderheid van de burgers weerspiegelen. Ook koestert deze vijandigheid haat en vooroordeel. Zij stemt niet overeen met een zakelijke en evenwichtige visie op pluralisme en de seculariteit van instellingen, om niet te spreken van het feit dat komende generaties het contact met de onbetaalbare spirituele erfenis van hun landen dreigen te verliezen.

Religie wordt verdedigd door de rechten en vrijheden te verdedigen van religieuze gemeen­schappen. De leiders van de grote wereldgodsdiensten en de leiders van de naties zouden daarom hun inzet moeten vernieuwen voor de bevordering en bescherming van de godsdienstvrijheid, met name om religieuze minderheden te verdedigen. Deze vormen geen bedreiging voor de identiteit van de meerderheid maar eerder een kans voor dialoog en weder­zijdse culturele verrijking. Hen verdedigen is de ideale manier om de geest van goede wil, openheid en wederkerigheid te verstevigen, die de bescherming van basisrechten en vrijheden kan verzekeren in alle delen en regio's van de wereld.

Godsdienstvrijheid in de wereld

14. Tenslotte wil ik graag een woord richten tot de christelijke gemeen­schappen die lijden onder vervolging, discriminatie, geweld en onverdraagzaamheid. Met name in Azië, in Afrika, in het Midden-Oosten en in het bijzonder het Heilig Land, een plaats door God gekozen en gezegend. Ik verzeker hen nogmaals van mijn vaderlijke genegenheid en gebed, en ik vraag alle gezagsdragers snel op te treden en elk onrecht tegen christenen in hun land te stoppen. Moge Christus' navolgers tegenover de huidige moeilijkheden de moed niet verliezen, want het getuigen van het evangelie is een teken van tegenspraak en zal dat altijd zijn.

Laten we de woorden van de Heer Jezus ter harte nemen: “Gelukkig die verdriet hebben, want zij zullen getroost worden … Gelukkig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden … Gelukkig die vervolgd worden vanwege de gerechtigheid, want hun behoort het Koninkrijk der hemelen, gelukkig zijn jullie, als ze jullie uitschelden en vervolgen en van allerlei kwaad betichten vanwege Mij. Wees blij en juich, want in de hemel wacht jullie een rijke beloning” (Mt 5:4-12). Hernieuwen wij vervolgens “de belofte van vergeving en kwijtschelding die we doen als we Gods vergeving vragen in het Onze Vader. Wij bepalen zelf de voorwaarde en de mate van genade die we vragen als we zeggen: ‘En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij hebben vergeven wie schulden heeft bij ons’ (Mt 6:12)”.[17] Geweld wordt niet overwonnen met geweld. Moge onze smartenkreet altijd vergezeld gaan van geloof, van hoop en het getuigenis van onze liefde voor God. Ik druk ook mijn hoop uit dat er in het Westen, en met name in Europa, een einde komt aan de vijandigheid en vooringenomenheid tegen christenen omdat zij consequent hun leven op de waarden en beginselen uit het evangelie afstemmen. Moge Europa zich veeleer met zijn eigen christelijke wortels verzoenen en zijn rol in het verleden, heden en toekomst begrijpen. Zo zal het gerechtigheid, eendracht en vrede gaan ervaren, door een serieuze en blijvende dialoog met alle volkeren aan te gaan.

Godsdienstvrijheid, de weg naar vrede

15. De wereld heeft God nodig. Zij heeft behoefte aan universele, gedeelde ethische en spirituele waarden. En religie kan bij deze zoektocht een kostbare bijdrage leveren aan een rechtvaardige en vreedzame sociale orde op de nationale en inter­nationale niveaus.

Vrede is een geschenk van God en tegelijkertijd een opgave die nooit helemaal voltooid is. Een samenleving verzoend met God is dichter bij de vrede. Deze is niet louter de afwezigheid van oorlog of het resultaat van militaire of economische overmacht en nog minder van bedrieglijke  sluwheid of gewiekste manipulatie. Vrede is veeleer het resultaat van een uitzuiveringsproces en van culturele, morele en spirituele verheffing van ieder mens en ieder volk. Een proces waarin de menselijke waardigheid volledig wordt gerespecteerd. Ik nodig allen die vredestichters willen zijn, speciaal de jongeren, uit om naar de stem te luisteren in hun hart. Dat zij zo in God een vast oriëntatiepunt vinden bij het bereiken van echte vrijheid. Dat is de onuitputtelijke kracht die de wereld een nieuwe richting en geest kan geven en de fouten van het verleden kan over­win­nen. In de woorden van Paus Paulus VI, aan wiens wijsheid en verziende blik we de instelling van Wereldvredesdag te danken hebben: “Het is voor alles noodzakelijk om vrede te bewerken met andere wapens, anders dan die welke doden en de mensheid vernietigen. Wat we vooral nodig hebben zijn morele wapens die kracht en prestige verlenen aan het inter­nationaal recht, bovenal het wapen van de eerbiediging van verdragen”.[18] Godsdienstvrijheid is een authentiek vredeswapen, met een historische en profetische missie. Vrede brengt de diepst verborgen talenten en mogelijkheden van de menselijke persoon tot volle vrucht­baar­heid, talenten die de wereld kunnen veranderen en verbeteren. Zij geeft hoop op een toekomst van gerechtigheid en vrede, zelfs bij ernstige ongerechtigheid en materiële en morele armoede. Mogen alle mannen en vrouwen en samenlevingen op elk niveau en in elk deel van de wereld spoedig de godsdienstvrijheid als de weg naar de vrede kunnen ervaren!

Vanuit het Vaticaan, 8 december 2010

Benedictus XVI

 

1] Vgl. BENEDICTUS XVI, Encycliek Caritas in veritate, 29, 55-57.

2] Vgl. VATICANUM II, Verklaring over de godsdienstvrijheid Dignitatis humanae, 2.

3] Vgl. BENEDICTUS XVI, Encycliek Caritas in veritate, 78.

4] Vgl. VATICANUM II, Verklaring over de relatie van de Kerk tot de niet-christelijke godsdiensten Nostra aetate, 1.

5] ID., Verklaring over de godsdienstvrijheid Dignitatis humanae, 7.

6] BENEDICTUS XVI, Toespraak voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (18 april 2008): AAS 100 (2008), 337.

7] Vgl. VATICANUM II, Verklaring over de godsdienstvrijheid Dignitatis humanae, 2.

8] JOHANNES PAULUS II, Toespraak voor deelnemers aan de Parlementaire Assemblee van de Organisatie voor Veiligheid en Samen­wer­king in Europa (OSCE) (10 oktober 2003), 1: AAS 96 (2004), 111.

9] Vgl. BENEDICTUS XVI, Encycliek Caritas in veritate, 11.

10] Vgl. VATICANUM II, Verklaring over de godsdienstvrijheid Dignitatis humanae, 1.

11] Vgl. CICERO, De Inventione, II, 160.

12] Vgl. BENEDICTUS XVI, Toespraak voor Vertegen­woor­digers van andere religies in het Verenigd Koninkrijk (17 september 2010): L’Osservatore Romano (18 september 2010), p. 12.

13] Vgl. VATICANUM II, Verklaring over de relatie van de Kerk tot de niet-christelijke godsdiensten Nostra aetate, 2.

14] Ibid.

15] Super Evangelium Joannis, I, 3.

16] Vgl. BENEDICTUS XVI, Toespraak voor de burgerlijke autoriteiten en het corps diplomatique op Cyprus (4 Juni 2010): L’Osservatore Romano (6 juni 2010), p. 8; INTERNATIONALE THEOLOGISCHE COMMISSIE, Op zoek naar universele ethiek: Een nieuwe kijk op de natuurwet, Vaticaanstad, 2009.

17] PAULUS VI, Bood­schap voor Wereldvredesdag 1976: AAS 67 (1975), 671.

18] Ibid., p. 668.

 

© Copyright 2010 - Libreria Editrice Vaticaana





Bisdom Haarlem - Amsterdam • Postbus 1053 • 2001 BB  Haarlem • (023) 511 26 00 • info@bisdomhaarlem-amsterdam.nlDisclaimerDeze website is gerealiseerd door iMoose